De Baas
Mengelberg is voor de vorming van het Concertgebouworkest van
onschatbare waarde geweest. Tijdens zijn bewind heeft het orkest de
internationale status en erkenning gekregen waar het tot op vandaag
onverminderd op kan bogen.
Dat wordingsproces verliep niet altijd
van een leien dakje. ‘De baas’ was dwingend en veeleisend, hanteerde
hoge artistieke maatstaven, voor zichzelf maar zeker ook voor zijn
orkestleden, en hij had vaak eigenzinnige muzikale opvattingen.

Mahler naar Nederland
Het was Mengelberg die het Nederlandse publiek liet kennismaken met de
Weense dirigent-componist Gustav Mahler. Mahler trad hier voor het eerst
op in 1903 door in Amsterdam zijn Derde Symfonie te dirigeren. In de
jaren die volgden was hij hier, tot zijn dood in 1911, herhaaldelijk te
gast. Apotheose in dit ‘kennismakingsproces’ was het Mahler-feest in
1920 ter gelegenheid van Mengelbergs dirigentenjubileum. In twee weken
tijd dirigeerde deze zelf onder meer alle negen symfonieën, een tot
dusver ongeëvenaarde prestatie.

Ook andere eigentijdse componisten vonden via Mengelberg hun weg naar
het Amsterdamse orkestpodium en de lessenaars van de musici. Tot die
avant-garde behoorde onder andere Richard Strauss, die zelfs zijn
‘Heldenleben’ aan orkest en Mengelberg persoonlijk opdroeg.
Buitenland
Vanaf 1898, toen orkest en dirigent op uitnodiging van Edvard Grieg in
Noorwegen optraden, maakte Mengelberg met het orkest vele tournees naar
het buitenland die internationaal grote bijval en erkenning ondervonden
en de internationale reputatie van het orkest blijvend vestigden.
Zelf trad Mengelberg veelvuldig op als gastdirigent van befaamde
orkesten in onder meer Duitsland, Oostenrijk, Italië, Rusland en niet te
vergeten de Verenigde Staten.

Zijn eerste plaatopnamen met het
Concertgebouworkest, op het Columbia-label, dateren van 1926. De
productie van (78-toeren)platen kwam eind jaren twintig goed op gang.
Bovendien zijn uit de dertiger en veertiger jaren nogal wat
radio-opnamen bewaard gebleven.
Praktisch alle oorspronkelijke plaatopnamen, ook die met de New York
Philharmonic vanaf 1922, en de meeste van de radio-opnamen zijn
inmiddels op cd uitgebracht.
Verering
Mengelbergs werkelijke glorieperiode als bouwer en vernieuwer was
misschien al aan het tanen toen hij, door de toenmalige nieuwe media,
het toppunt van zijn roem bereikte. In de dertiger jaren evenaarde hij
als ‘icoon’ en object van verering koningin Wilhelmina, maar tot
drastische vernieuwingen van het muzikale repertoire kwam het wat hem
betreft niet meer.

Wel gold hij, en dat is op de talrijke bewaard gebleven opnamen
duidelijk te horen, als een van de gezaghebbendste vertolkers van het
romantisch repertoire; Beethoven, Brahms, Tsjaikovski en natuurlijk
Mahler. Beroemd onder de kenners is Mengelbergs dramatische, volstrekt
naar eigen inzichten (maar voor en na de oorlog niet-ongebruikelijk)
gecoupeerde, vertolking van Bachs Matthäus Passion uit 1939 met
glansrollen van de sopraan Jo Vincent , de alt Ilona Durigo en Karl Erb
als evangelist.
Noodlottige afbreuk
De soms buitensporige adoratie die Mengelberg voor de Tweede
Wereldoorlog ten deel viel deed waarschijnlijk noodlottige afbreuk aan
zijn inzicht in de internationale verhoudingen zoals die zich buiten de
muziekwereld hadden ontwikkeld, en mogelijk ook aan zijn vermogen tot
zelfkritiek, zo dat inzicht en vermogen überhaupt al aanwezig waren.
Zijn lankmoedigheid ten aanzien van de politieke ontwikkelingen in
Duitsland na de machtsovername door Hitler en de zijnen oogstte al vóór
de oorlog de nodige kritiek. Maar vooral het feit dat hij in de oorlog
met het orkest, menigmaal ten overstaan van
Nazi-hoogwaardigheidsbekleders, bleef doormusiceren wekte intense
verontwaardiging en deed hem na de bevrijding in ongenade vallen. Juist
van de geadoreerde en gelauwerde Mengelberg had men een duidelijker
voorbeeldfunctie verwacht. De Centrale Ereraad legde hem uiteindelijk
een dirigeerverbod op van zes jaar, dat zou eindigen in juli 1951.
Maar op 22 maart van datzelfde jaar stierf Mengelberg in zijn Zwitserse
buitenhuis, de Chasa, in het Unterengadin, zonder ooit weer een orkest
te hebben geleid. Lange tijd buitensporig op handen gedragen, daardoor
juist misschien extra hard gevallen. Zijn stoffelijk overschot rust,
samen met dat van zijn in
1943 overleden vrouw Tilly, op kerkhof Friedental in
Luzern. Rond 2000 zorgde Riccardo Chailly ervoor dat het graf opgeknapt
werd.

Genuanceerd beeld van historische rol
Nu, ruim zestig jaar later, zijn de scherpe tegenstellingen rondom de kwestie
Mengelberg die destijds muziekminnend Nederland zo verdeeld hielden
vervaagd. Wat resteert is een genuanceerd beeld: pijnlijke verbazing
over wat men kan noemen zijn politieke dyslexie, oprechte dankbaarheid
voor de historische rol die Mengelberg als ‘prima donna’ decennia lang
heeft gespeeld bij de vorming van het (thans ‘Koninklijk’)
Concertgebouworkest.
(FH)
(op de achtergrond hoort u een fragment uit het adagietto van de Vijfde symfonie van Gustav Mahler, gespeeld door het Concertgebouworkest in 1926, gedirigeerd door Mengelberg)